Historie

700 jaar zorg voor de geest

Het Dolhuys | museum van de geest is gevestigd in het voormalige Pest-, Dol-, en Leprooshuis van de stad Haarlem. Het pand heeft 700 jaar lang onderdak geboden aan ‘melaatsen, gekken, onaangepasten, alcoholici, hoeren met syfilis, dementerende ouderen, zwervers, mensen in crisis’. In de loop van de geschiedenis heeft het complex verschillende namen gehad: Leprooshuis, Pest-, Dol- en Leprooshuis, Buitenproveniershuis, Buitengasthuis, Stadsarmen en – Ziekenhuis, Haarlems Tehuis voor Ouden van Dagen, Haarlems Verzorgingshuis Schoterburcht, Crisiscentrum.

De geschiedenis van het complex is enerzijds een voorbeeld van het ideaal van naastenliefde en de zorg voor zwakkeren die hulp nodig hebben. Anderzijds staat het voor het opsluiten en isoleren van mensen die er niet bij horen en die de sociale orde verstoren.

Historie

Melaatsen

Het begon ruim 700 jaar geleden. Rond 1300 was ten noorden van Haarlem buiten de stadsgrens een gemeenschap van leprozen gevestigd. Zij woonden in kleine huisjes rond een kerkje, de St. Jacobskapel. Leprozen werden vroeger uit de gemeenschap verstoten. Dat hun ziekte veroorzaakt wordt door een bacterie was toen nog niet bekend. Het mismaakte uiterlijk werd vaak gezien als een teken van verdorvenheid en moreel verval. Volgens het volksgeloof kon je alleen genezen door boetedoening; leven van gebedeld brood en als je bezittingen had, deze aan de armen te schenken.

Rond 1400 had de gemeenschap zich ontwikkeld tot het Leprooshuis, dat onder toezicht stond van de stad Haarlem. De arme leprozen woonden in de leprozerie, een grote gasthuiszaal, waar ze met elkaar leefden. De rijke leprozen hadden een eigen huisje. Zij moesten bij hun opname al hun bezit aan het Leprooshuis schenken. Zo kreeg het Leprooshuis in de 15e eeuw veel stukken land in eigendom. De rente en pacht die dat opbracht was een belangrijke bron van inkomsten voor het latere Pest- en Dol-, en Leprooshuis.

Lepraschouw

In 1413 kreeg Haarlem het monopolie op de lepraschouw. Dat wil zeggen dat mensen die er van verdacht werden met lepra te zijn besmet uit heel Nederland naar het Haarlemse Leprooshuis moesten reizen om zich daar te laten onderzoeken. Voor die reizende leprozen, ‘lopers’ genoemd, werd een aparte vleugel gebouwd, het Lopershuis, waar ze een paar nachten konden logeren.

De visitatie werd gedaan door een commissie van keurmeesters, bestaande uit een paar vaste bewoners, de stadsdokter en kapelaan van de kapel. Wie lepra had kreeg een certificaat, een vuilbrief. Daarmee had je recht op een plek in je plaatselijke leprozerie en kreeg je toestemming om te bedelen. Je kreeg ook een klepper mee, zodat iedereen kon horen dat je leproos was. Overigens was de diagnose niet erg nauwkeurig, ook voor andere nare aandoeningen als schurft of pokken kon je een vuilbrief krijgen.

Gesjoemel met vuilbrieven

Zo’n vergunning om te bedelen was ook onder ‘normale’ bedelaars gewild. Je vuilbrief verkopen was een lucratief handeltje. Zo was Herman Jansen uit Heteren (Gld.) een vaste klant in het Pest- en Dol-, en Leprooshuis. In een periode van drie jaar was hij acht keer naar Haarlem gereisd om een nieuwe vuilbrief te krijgen. Telkens kwam hij met een nieuwe verklaring voor het verlies van zijn vorige brief: kwijt geraakt, gestolen, door iemand verscheurd, in het water gevallen of onleesbaar geworden. Het heeft er alle schijn van dat hij zijn vuilbrieven verkocht aan ‘normale’ bedelaars.

Historie 1

Dolhuizen

In 1564 kreeg het Leprooshuis er een nieuwe bewonersgroep bij: ‘dollen’. Voor hen werd er een aparte vleugel met dolcellen gebouwd. Vroeger werd er meestal onderscheid gemaakt tussen mensen die hun verstand kwijt waren maar zich verder rustig gedroegen en degenen die druk en agressief waren: zij werden ‘dol’, ‘furieus’ of ‘razend’ genoemd. De ‘dollen’ werden getekend en met geweld in bedwang gehouden; totdat zij weer wat rustiger waren werden zij in een hok of een cel opgesloten.

In de Middeleeuwen waren er aanvankelijk nog geen aparte instellingen voor ‘dollen’. Wie niet door zijn familie werd verpleegd kon bij een particulier worden ondergebracht of opgenomen in een gewoon gasthuis. Vaak waren er op zolder kamertjes of hokken getimmerd om ‘dollen’ in op te sluiten. In de 15e eeuw verschenen in Nederland de eerste dolhuizen, waarin huisjes of cellen waren samengevoegd rondom een binnenplaats. De Reinier van Arkel Stichting in ’s Hertogenbosch uit 1442 was het eerste dolhuis in Nederland.

Gedwongen opname

Meestal namen naaste familieleden het initiatief voor opname in het dolhuis. Het stadsbestuur moest toestemming geven voor de opname. Soms kwam de stadsdokter er aan te pas om te controleren of de betrokkene werkelijk ‘dol’ was. Zoals in het geval van Pieter Crijnsz. Hars, koperslager te Haarlem. Deze gedroeg zich vreemd en liet zijn bedrijf versloffen. Zijn vrouw Cathelijne liet hem wilsonbekwaam verklaren en kreeg toestemming om zonder hem het bedrijf voort te zetten. De dokter die Hars onderzocht vond hem weliswaar van streek en in de war maar wilde hem toch liever thuis houden. Zijn vrouw en familie vreesden ongelukken als hij niet snel in het dolhuis werd opgenomen. Hars werd opgenomen in het dolhuis. Na paar weken werd hij weer ontslagen omdat hij zich volgens de regenten weer normaal gedroeg.

Een hongerkunstenaar

Izaak Hendriks, turfdrager te Haarlem, zat in een dolcel in het Pest,- en Dolhuis. Hij had het plan opgevat om in navolging van Jezus in de woestijn 40 dagen te vasten. Hendriks begon zijn hongerstaking op 5 december 1684 en kondigde aan op 16 januari klokslag 11 uur weer te zullen gaan eten. Hij wilde in leven blijven op een rantsoen van drinkwater en tabak. De regenten zagen de hongerstaking met zorgen tegemoet. Niemand kan zo lang zonder eten. Zij probeerden Hendriks op slinkse wijze tot eten te bewegen. Een knecht ging ‘s nachts verkleed als een engel de dolcel binnen roepend: ‘Izaak mijn zoon, gij moet eten’. Tevergeefs.

Het verhaal over dit wonder verspreidde zich tot in Amsterdam toe. Op het afgesproken tijdstip, waarop Hendriks zijn hongerstaking zou beëindigen, had zich in het Pest-, en Psychiatrische inrichting een grote menigte verzameld. Precies om 11 uur zette hij zich aan de maaltijd: een stevige bouillon en een schapenbout. Hendriks kreeg hevige maagkrampen en kort daarop overleed hij. Hij werd onder grote publieke belangstelling op de begraafplaats van het Pest,- en Dolhuis begraven.

  • Historie regenten dolhuys
  • Historie dolhuys

Regenten

Net als de andere zorginstellingen in de stad werd Het Pest- en Dolhuis bestuurd door een college van regenten en regentessen, aangesteld door het stadsbestuur. Het besturen van een liefdadige instelling hoorde er bij onder gegoede kringen. De regenten beheerden de geldzaken, de regentessen kochten eten, wol en linnengoed in. Voor het dagelijks toezicht zorgden de binnenvader en –moeder, die een eigen woning in het pand hadden. Er was een bakker in dienst, die ook de ‘dollen’ in hun cel opsloot en een oogje in het zeil hield. De regenten en regentessen vergaderden in een aparte vleugel in het pand waar ze ieder over een luxe ingerichte ruimte konden beschikken. In 1756 werden beide kamers samengevoegd tot één nieuwe regentenkamer. Het behang en de betimmering werden beschilderd door de Haarlemse schilder Jan Augustini (1725-1773).

Verbeterhuis

Rond 1675 kreeg het Pest-, Dol- en Leprooshuis er een grote nieuwe vleugel bij, het Verbeterhuis, ook wel de Commensalenplaats genoemd. Dat was een besloten binnenplaats met kleine huisjes, waar ‘onaangepaste lieden’ op kosten van hun familie enige tijd in bewaring genomen werden, in de hoop dat zij hun leven zouden beteren.

Zo vroeg Jacob de Koning, zijdewever in de Keizerstraat te Haarlem, aan het stadsbestuur of zijn dochter Janneke niet enige tijd in het Verbeterhuis kon worden opgenomen. Zij had verkering met iemand die volgens hem niet deugde. Haar vrijer was niet in staat om zelf de kost te verdienen en erger nog: hij was Rooms Katholiek. Kort na haar opname wist Janneke te ontsnappen.

In geval van krankzinnigheid was het Verbeterhuis ook een optie, als de familie bereid was om de kosten te betalen. Sophia du Flô verloor kort na haar bevalling haar verstand. Zij schold, vloekte en bedreigde haar man en kinderen. Op een nacht ontsnapte zij aan haar oppassers en zwierf over straat bonkend op de deuren. Om erger te voorkomen vroeg haar man toestemming om haar voor een tijdje op de commensalenplaats op te laten sluiten.

Historie dolhuys gebouw

Een nieuwe wind

Rond 1800 woei er een nieuwe wind in de krankzinnigenzorg. Vooruitstrevende artsen beschouwden krankzinnigheid als een geestesziekte. Zachtaardige bejegening, voldoende beweging in de open lucht, passende geneeskundige behandeling gecombineerd met druip- en andere baden en een regiem van orde, rust en regelmaat konden leiden tot genezing.

De eerste Nederlandse krankzinnigenwet uit 1841 bepaalde dat de behandeling van ‘krankzinnigen’ plaats moest vinden in daartoe aangewezen geneeskundige gestichten. De oude dolhuizen – ‘opbergplaatsen van verschoppelingen’ werden ze nu genoemd – moesten worden gesloten of verbouwd.

Om aan de nieuwe wet te kunnen voldoen stelde de gemeente Haarlem een commissie in om een plan te maken om de verzorging van ‘krankzinnigen’ in het Buitengasthuis op een hoger plan te brengen. Ondanks enkele verbeteringen werd het Haarlemse Buitengasthuis geen aangewezen instituut. In 1849 verhuisden de overgebleven bewoners van het dol- en verbeterhuis naar het pas geopende gesticht Meerenberg in Bloemendaal.

Dak- en thuislozen

Na de verhuizing van de krankzinnigen ging het Buitengasthuis vanaf 1846 door als het Stads Armen en – Ziekenhuis. Voortaan vergaderde het Burgerlijk Armbestuur in de regentenkamer en er kwam een directeur voor de dagelijkse leiding. De dolcellen — op één na — werden vervangen door een nieuwe ziekenzaal. Het armenhuis was een laatste vangnet voor bejaarden en kinderen zonder ouders, die nergens anders terecht konden.

Het Armenhuis bood onder andere opvang aan oudere dak- en thuislozen. Zo woonde de weduwe Van Loon van 74 jaar aanvankelijke in het St. Jacobs Godshuis. Zij was ‘verregaand onzindelijk en zwakgeestig’ en was door de regenten van het godshuis op straat gezet. Haar zus kon de situatie niet aan en de bejaarde vrouw zwierf rond op straat. Uiteindelijke greep de politie in en kon zij in het Armenhuis worden opgenomen. Zwervers en bedelaars op leeftijd meldden zich soms ’s winters aan om in het voorjaar hun vrije leventje weer op te pakken.

Historie dolhuys

Kinderen

Naast ouderen waren in het Stads- Armen en Ziekenhuis ook kinderen en jongeren opgenomen die tijdelijk verzorging nodig hadden. Zij leefden aanvankelijk onder één dak met de bejaarden, kregen geen aparte aandacht en sliepen met de ouderen op een slaapzaal. Dat was voor kinderen een ongewenste situatie.

In 1927 werd het Haarlems Kindertehuis geopend, een nieuwe afdeling in de voormalige regentenvleugel die streng werd gescheiden van de rest van het complex. Er was plek voor 45 kinderen. Een besturend zuster, een verpleegster en zes leerling-verpleegsters en helpsters zorgden voor de jonge bewoners. Het ging om kinderen waarvan de moeder was opgenomen in een ziekenhuis of psychiatrische inrichting of van wie de vader weduwnaar was geworden en de verzorging van zijn familie niet meer aankon. Ook kinderen die thuis geen goede verzorging kregen en door de voogdijraad aan ouderlijke gezag waren onttrokken kwamen in het Haarlems Kindertehuis terecht. Er waren ook zes wiegjes voor zuigelingen. Hun moeders waren vaak nog te zwak om zelf voor hun kind te zorgen. Meestal verbleven de kinderen voor hooguit een paar maanden in dit kinderpension.

Historie dolhuys

Crisiscentrum

In 1978 werd een deel van het pand ingericht voor het Crisiscentrum, een initiatief van de gemeente Haarlem en bedoeld als laagdrempelige opvang voor mensen in psychische nood. Vanaf 1986 werd het Crisiscentrum beheerd door psychiatrisch ziekenhuis Vogelenzang in Bennebroek (nu GGZ inGeest). Mensen in een acute psychische crisis, die last hadden van paniekaanvallen of angsten, in een thuissituatie verkeerden die ineens onhoudbaar was geworden of de greep op zichzelf dreigden te verliezen, konden er zonder verwijzing van de huisarts dag en nacht binnenstappen. Zij kregen hulp in de vorm van gesprekken en konden maximaal een week blijven. Een deel werd doorverwezen naar een psychiatrische inrichting. Anderen konden na intensieve kortdurende hulp weer verder, zonder in de psychiatrie te belanden. In 1998 werd het Crisiscentrum gesloten.

Museum van de geest

In het pand dat 700 jaar lang onderdak bood aan ‘melaatsen, gekken, onaangepasten, alcoholici, hoeren met syfilis, dementerende ouderen, zwervers en mensen in crisis’ huist sinds 2005 het Dolhuys|museum van de geest. Een museum dat streeft naar het in beeld brengen van de mens in al haar facetten en het ter discussie stellen van stereotype beelden om zo een bijdrage te leveren aan erkenning, waardering en begrip voor mensen. In het bijzonder van mensen in Nederland die afwijken van de geldende ‘norm’ in hun gedrag, denken en emoties, in zowel positieve als negatieve zin, zowel in het heden als het verleden.

Delen